09-02-08

Bach: Brandenburgse Concerten

 

Johann Sebastian Bach: 6 Brandenburgse Concerten, BWV 1046-1051.

Binnen de ontzaglijke nalatenschap van Bach nemen de zes Brandenburgse Concerten een aparte plaats in vanwege hun gevarieerde bezetting en origineel kleurenpalet. De bundel werd in 1721 door Bach geschonken aan de markgraaf van Brandenburg, mogelijk in de hoop hiermee een betrekking als kapelmeester in Berlijn te kunnen bekomen. De 36-jarige componist, wiens echtgenote een jaar voordien was overleden, twijfelde aan een aantal carrièremogelijkheden op dit punt in zijn leven.

Titelpagina Brandenburgse'


Titelpagina in Bachs handschrift


Bachs carrière tot in 1721

Bach was van jongs af aan een doorzetter en iemand die wist wat hij wilde. Het vroege verlies van zijn ouders (hij was 9 toen zijn moeder overleed en een jaar later volgde reeds zijn vader) zal daar zeker een rol in gespeeld hebben. Direct na deze dramatische gebeurtenissen is Johann Sebastian opgevangen geworden door zijn oudste broer die reeds 24 jaar was en als organist en schoolmeester zijn brood verdiende te Ohrdruf. Diens gezin breidde echter ook uit en dus vertrok Johann Sebastian op 15 jarige leeftijd naar het lyceum in Lüneburg waar hij dank zij z'n mooie stem als koorzanger niet alleen gratis onderwijs en onderdak kreeg maar bovendien ook recht had op een maandelijkse uitbetaling. Kort daarna werd hij er in het orkest opgenomen als violist, waar hij naast veel Duitse muziek ook het Italiaanse repertoire leerde kennen. Zijn grote leergierigheid dreef hem regelmatig tot in Hamburg om daar de beroemde organist Reincken aan het werk te horen. In deze operaminnende stad heeft hij ongetwijfeld ook het muziekdrama als genre beter leren kennen. Bovendien moet Bach in deze periode ook regelmatig de gelegenheid hebben gehad de Franse muziekstijl te absorberen door het hoforkest van Celle te beluisteren dat overwegend uit Franse musici was samengesteld. In deze periode heeft de jonge Bach duidelijk alle grondslagen gelegd waarop hij zijn verdere carrière doelbewust en zelfzeker zou uitbouwen.

Bach'
Johan Sebastian Bach

De grote etappes van die carrière speelden zich af in Arnstadt, Mühlhausen, Weimar, Köthen en Leipzig. Zijn plaats als organist in de Nieuwe Kerk te Arnstadt gaf hem de gelegenheid zich verder te bekwamen als improvisator en orgelcomponist. Hier ontstonden de eerste belangrijke orgelwerken. Bach bleef vier jaar in Arnstadt. Ook in Mühlhausen was hij aangesteld als organist en organisator van de kerkmuziek. Hij was echter niet tevreden over de beperkte middelen die men hem ter beschikking stelde en had liever naast zijn orgelspel wat meer opdrachten gezien om cantates te schrijven. Men liet hem niet graag vertrekken. Ondertussen had Bach ook naam gemaakt als orgeladviseur. Zijn technische kennis van het instrument was zeer groot en men vroeg hem dikwijls om als deskundige nieuwe orgels te beoordelen of raad te geven voor eventuele aanpassingen van oudere orgels.

In Weimar ging Bachs carrière als organist voort, maar daarnaast was hij ook kamermuzikant en werd op hem bovendien regelmatig beroep gedaan als componist. Hij vervolmaakte in die jaren zijn cantatestijl. Wellicht had Bach erg graag aan dit hof blijven werken, ware het niet dat er op gegeven ogenblik ruzie was ontstaan tussen de hertog en diens broer, een conflict dat de sfeer ernstig verpestte en ook z'n weerslag had op de verhouding tussen de hertog en Bach. De componist eiste eind 1717 z'n ontslag en werd kapelmeester aan het hof van Köthen.


Kothen[3]
Spiegelzaal in het paleis van Köthen


Hier begon een "hoofse" periode voor Bach in scherpe tegenstelling tot zijn vorige overwegend liturgisch gebonden taken. Aan het hof van vorst Leopold was men heel ruimdenkend op religieus gebied, erg kunstlievend, en lang niet zo absolutistisch als in Weimar. Bovendien beschikte Bach er over een oerdegelijk groot orkest waarin Leopold zelf viool, gamba of clavecimbel speelde. Men zou denken dat Bach hier het plaatsje van zijn leven zou gevonden hebben. En toch was dat blijkbaar niet het geval. In 1720 solliciteerde hij naar de vrijgekomen post van organist in de Sint-Jacobskerk te Hamburg. Hij veranderde echter van gedachte en daagde niet op bij het proefspel. In 1721 presenteerde hij aan de markgraaf van Brandenburg zijn bundel met 6 Concerten. Waarschijnlijk ook met de bedoeling hiermee een plaatsaanbieding in Berlijn te verkrijgen. In 1723 uiteindelijk zou Bach definitief naar Leipzig vertrekken om daar de zware taken als cantor van de Sint Thomaskerk en Musikdirektor van de stad waar te nemen.

Leopold-khoten
Vorst Leopold van Köthen

Was het een groot orgel waar Bach terug naar snakte? Of had hij behoefte om terug meer met religieuze muziek bezig te kunnen zijn? Had het overlijden in 1720 van Maria Barbara, zijn eerste vrouw hier iets mee te maken? Aan de relatie met zijn broodgever zal het niet gelogen hebben. Vanuit Leipzig is hij nog regelmatig het hof in Köthen blijven bezoeken. Friederica Henrietta, de prinses die in 1721 met vorst Leopold huwde, was wel minder geliefd bij de componist. Hij ergerde zich aan het feit dat zij Leopolds interesse in de muziek drastisch temperde en noemde haar een "amusa"...
Friederica Henrietta', vorstin van Anhalt-Köthen

Vorstin Friederica Henrietta van Köthen, de "amusa"

Andere redenen, zoals de verslechterende financiële toestand a
an het hof, worden ook soms aangehaald. Zo ook het feit dat Bach naar een universiteit moest gaan uitzien waar zijn grootste kinderen terechtkonden. De meest aangehaalde reden echter is Bachs diepgelovigheid en behoefte om zich voor liturgische muziek in te zetten. We mogen ook niet vergeten dat zijn voorouders gedurende vele generaties als muzikanten de kerkdiensten verzorgd hadden en dat dit in de ogen van de componist wellicht het meest verhevene was wat men kon doen.

De Brandenburgse Concerten


De juiste data waarop deze werken zijn geschreven, zijn niet gekend. Men weet enkel dat de componist ze in 1721 schonk aan markgraaf Christian Ludwig. Er is geen enkele reden om te vermoeden dat zij als een bij elkaar horend geheel gecomponeerd werden. Ze lijken meer op een bonte verzameling pronkstukken die indruk moesten maken op de markgraaf van Brandenburg.

Christian Ludwig Markgraaf van Brandenburg'
Markgraaf Christiaan Ludwig van Brandenburg

Ze blinken uit door hun virtuoziteit, zoals de trompetpartij in het 2de concert, de vioolpartij in het 4de en de klavecimbelcadens in het 5de concert. Ze vallen ook op door hun originaliteit qua bezetting. Het eerste concerto is voor 2 corni da caccia, 3 hobo's, fagot, violino piccolo, strijkers en basso continuo. Het tweede werd geschreven voor trompet, blokfluit, hobo, viool, strijkers en b.c. Een héél ongewone werkwijze wordt toegepast voor het derde concerto waarin 3 groepen van strijkers als solisten optreden en ook samenwerken aan de tuttipassages. Als solistengroep vinden we hetzij 3 violen, hetzij 3 altviolen, hetzij 3 celli. In het vierde concerto spelen een viool en 2 "flauti d'echo" (blokfluiten) de solistenrol. Dwarsfluit, viool en klavecimbel zijn solisten in het vijfde concerto waarbij het klavecimbel een prachtige uiterst virtuoze solocadens van zo maar liefst 64 maten toebedeeld kreeg. Het zesde concerto tenslotte is geschreven voor 2 viola da bracchio's, 2 gambas, violoncello en b.c. Volgens Sigiswald Kuijken bedoelde men met de term violoncello tot ongeveer 1730 niet het instrument dat wij als cello kennen maar wel een viola da spalla zoals er o.a. één in het Brusselse instrumentenmuseum bewaard is gebleven. Voor wie zich verder wil verdiepen in de interessante argumentatie van deze barokspecialist verwijzen we naar de volgende internetlink: 
http://www.preludeklassiekemuziek.nl/kuijken_spalla.html .

00:00 Gepost door Ronald in Bach J.S. | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.